Het hoofd zat te vol en ik moest even weg van de computer. Naar het stadsarchief dan maar om de gevraagde scans te regelen. Op weg naar huis loop ik binnen bij de tweedehandswinkel op de hoek om te kijken of er mooie kleuren hangen. Het is er vol, veel aanbod, veel klanten. Tegen de muur een lang rek, propvol, of er een kleur van mijn gading tussen hangt? Het pad naast het lange rek is erg nauw. Er staat al een geïnteresseerde klant die geroutineerd door het aanbod bladert. Tjak, tjak, tjak knallen de knaapjes, van rechts naar links. Daar, ik zie geloof ik iets in warme kleuren hangen en wring me achter haar langs.
Een andere klant krijgt ook belangstelling voor dit rek en komt tussen ons in staan. Klant 1 mort wat, maar hervat meteen haar razendsnelle inspectie. Het rek hangt zo vol dat alles strak staat zodra een van ons wat ruimte probeert te maken om iets nader te bekijken of even van het rek te halen. Klant 1 krijgt het inmiddels echt te kwaad en sist naar de laatst gearriveerde dat ze óók van rechts naar links moet gaan. De nieuwkomer en ik kijken elkaar geamuseerd aan. Nu is klant 1 echt boos. We moeten alledrie van rechts naar links, want, licht ze toe: ‘Dan kan ik hier ten minste doorwerken.’
Ik wilde een verzetje, kreeg een anekdote, won een lach en vertrok om thuis door te werken aan de broodschrijf- en vertaalzaken.
Op tv vertelden ze laatst dat er zoveel brood werd weggegooid. Ik ben vast naïef, maar wist dat niet en keek met pijn in het hart naar de beelden van brood dat in een soort shredder verdween. Het leek me trouwens bepaald geen lekker brood, maar daar gaat het natuurlijk niet om. Nu is er een radiospotje over voedselverspilling dat moet aanzetten tot gedragsverandering en eindigt met de mededeling dat we (dat zijn neem ik aan de mensen in Nederland) een vijfde deel van ons voedsel weggooien. Een vijfde! Wiens mond valt nog meer open als zhij dit hoort? Ik gooi bijna nooit eten weg, een hele enkele keer als iets bedorven blijkt, dan helaas. En hoe vaak gebeurt dat nou? De laatste keer kan ik me niet herinneren, dit jaar in ieder geval (nog) niet en we zitten in de eindfase van 2009. In mijn omgeving gooit men ook vrijwel geen eten weg. Maar iemand schijnt dat dus wel te doen en dan ook nog met een zekere routine. Een vijfde, dat is meer dan een eetdag per week. Maar de afzonderlijke weggooier moet wel meer weggooien, want ik en mijn omgeving zijn vast niet uniek, dat vijfde is dus slechts een lullig gemiddelde. Hoe zouden ze dat trouwens hebben gemeten?
Apart bruggetje, maar via voedsel, vegetarisch eten, schrijven over vegetarisch eten kom je bij JS Foer die een boek schreef over de vleesindustrie. Nu schijnt er een grote Foer-bashing gaande te zijn. Ik ben geen Foer-fan, maar ook geen -hater. Zij wel en verwoordt dat pittig (apparently you can’t be annoyed at the smugness and confused thinking of Jonathan Safran Foer since he is on the side of Good and Light) en hij ook (“At the end of the day, it’s a family story,” Foer says, using a cliché that no one of his intelligence should ever use outside a Hollywood pitch meeting.) en zo nog veel meer her en der op blogs en andere internetartikelen. Hoe zou dat nou toch gaan. Het ene moment heb je de publieke opinie mee, het volgende sta je voor lul. Mag je oppassen dat je Foer niet alsnog afzweert.
Een mond vol zand – Orkater/De nieuwkomers
Gepubliceerd op 11 november 2009 Uncategorized Geef een reactieVorige maand de Veluwe op geweest, naar Radio Kootwijk, om aldaar in het Zendgebouw (‘zandgebouw’ zei de verwarde mup meer dan eens, door al dat zand misschien en de titel van het stuk wellicht) Een mond vol zand te zien, zo’n voorstelling onder orkaterparaplu zoals eerder het geslaagde De saaiheid is te snijden (twee keer gezien!). Een mond vol zand was oké, maar wat mij betreft niet goed voor de superlatieven die, naar ik las, anderen hierover uitten. Geweldige locatie, dat wel, mooi gebouw en wat is het daar ‘s avonds echt donker …
Het verhaal: Nederlandse vriendin van Nederlandse oorlogsfotograaf vertelt hoe het is om met een man te zijn die vaak lange tijd ver weg is. Dan gaat hij naar Afghanistan, blijkt zij zwanger en ineens hoort ze helemaal niets meer van hem. Na wat wikken en wegen reist ze, met dikke buik, hem achterna.
Ze vindt hem, maar hij blijkt getraumatiseerd, lijkt een ander mens, herkent haar niet. Hij zit bij een Afghaanse vrouw die hem verzorgt en daarnaast viool speelt. De Nederlandse vrouw wil weten wat er is gebeurd en probeert haar man met zich mee naar huis te krijgen. Dat lukt half en half en dan toch niet.
De zelfgemaakte melkbusbas was geweldig, de improvisatie/eigen muziek sowieso sterk. De acteurs acteerden goed, de violiste speelde mooi viool. Maar de Afghaanse setting en muziekkeuze begrijp ik niet. De violiste speelde in het stuk een Afghaanse vioolvrouw, maar waarom speelde ze alleen maar muziek uit ‘onze’ klassieke kanon? Tot slot een fraaie uitvoering van Bachs chaconne in d, mijn muziek is het zeker, maar ik heb geen flauw idee wat die arme Afghaanse daar nu mee moest.
Later zag ik het filmpje over het stuk waarin Slagmolen aan het eind vertelt over relaties, bitsige vrouwen, het grote gebaar en meer. Het is me niet duidelijk waarom het stuk zich dan ook nog eens in het Afghaanse zand moest afspelen. Dat geeft op het moment onvermijdelijk een enorme lading en was voor dit gezelschap een maatje te groot. Het bleef allemaal wat onuitgewerkt, onhandig.
Ik ben opgegroeid in het land van melk en honing en tamme kastanjes. Zoveel Maronen klaar voor het oprapen heb ik geloof ik al zo’n dertig jaar niet meer bij elkaar gezien. Ik vergaarde ze dan ook snel en borg ze bij gebrek aan tas op in m’n halsdoek. Dit zijn de vruchten van een Larense kastanje.
Verder bloeide de bougainvillea weer op het laatste nippertje, misschien redt ie het volgend jaar eerder, wordt het kwetsbare spul stuk voor stuk in veiliger omgeving gezet en vorderen de werkzaamheden aan het private bosplan (beeldbewijs volgt; we bidden dat het geen noordzuidlijn wordt).
Geliefde sport: het prikbord in de supermarkt scannen. Vandaag naast de schoonmakers van over de hele wereld (dit keer ook Banyu uit Indonesië en Izabel uit Brazilië), Italiaanse les van Paolo en Japanse les van Hiroko een Hammond-orgel. Curieus en voor maar vijftig euro nota bene! Dat dacht ik althans toen ik het briefje zag. Uit een snelle inventarisatie van het aanbod op tweedehandssites blijkt dat er wel meer voor die prijs of zelfs voor minder nog van de hand gaat. Ook voor meer en voor heel veel meer, trouwens. Misschien is deze van binnen helemaal naar god.
Leuke vondst, maar ik hoef ’m niet. Wij zwijmelen dit seizoen bij Borodins tweede strijkkwartet, met name het Russisch weemoedige derde deel verveelt gewoon niet. Feest voor de celliste die haar vingers stuk studeert op het eerste deel, maar stiekem ook al flink wat tijd in het Notturno Andante steekt.
In de zijlijn neem ik verbaasd kennis van al die kouwe drukte om Herta Müller. Niet zozeer om haar, maar al dat gekift uit andere taalgebieden dat niet een van de hunnen die nobelprijs heeft gekregen. Eerst de Noord-Amerikanen, die zich vooraf al opwinden omdat ‘hun’ Roth het wel weer niet zal worden, welke zichzelf vervullende voorspelling zichzelf dan ook vervult, vandaag stuitte ik op een forum waar een Belg weent dat Claus of Boon ‘wat literatuur betreft wel een trapje hoger, véél hoger’ hadden gestaan dan Müller. Ik denk trouwens dat de meneer van die boude bewering Herta Müller pas een week of zo kent. Dat ei ook weer kwijt.
Korrelig plaatje (de avond valt al, nú al, alleen een telefooncameraatje bij de hand en dat houdt alleen van daglicht) van de verhuisde cayennepepertjes; voor het kijkersgemak zijn er vier genummerd, maar er zijn er meer. Hier krijgen ze veel en veel meer zon en rijpen ze misschien nog helemaal. Verder onveranderd veel groen geluk, allerlei schoons meegenomen van ver, spannende grassen (een coup de foudre bij ene Herman Müssel, een miscanthus met onweerstaanbaar tere pluimen, z’n kleine broertje met de sprookjesachtige naam Kleine Silberspinne staat nu achter te wachten op de volle grond) en meer, het noodlijdende gele chrysantje dat ik uit de onverschillige klauwen redde van de grootgrutter die helemaal niet op dit kleintje lette, het was vrijwel dood, stond helemaal droog, maar heeft het hier nu enorm naar z’n zin en breidt zich steeds verder uit in het verder wat sneue voortuintje waarvan de grond wat lastig blijkt. Misschien moet je die verrijken. Of niet, want het chrysantje floreert, evenals de Brooklynse korenbloemen (de laatste rechts op het korrelplaatje te zien) en het raadselbloempje, dat maar blijft bloeien. Er zijn maximaal vier bloempjes en waar er eentje is uitgebloeid, is al een nieuwe knop ontstaan die het stokje overneemt. Misschien heet het estafettebloem.
Gelukkig heeft meester Wog groene vingers. En ook best aardige ideeën die geleidelijk op papier vorm krijgen.
Public Enemies gezien. Wat een boutfilm (nooit gedacht dat ik die uitdrukking eens zou gebruiken en dan meteen zo uit de grond van m’n hart). Johnny Depp was wel leuk, verder geen lichtpuntjes. Mochten de thema’s boef, FBI, gave oldtimers en drooglegging je interesseren, lees dan het boek. Het is echt beter (nooit gedacht dat ik dat van het boek zou zeggen).
De film hangt van losse eindjes aan elkaar, er valt geen lijn in te ontdekken. De bekende oneliners, volgens overlevering zo opgetekend uit de mond van deze of gene betrokkene, zijn met man en macht en grotendeels te onpas in het script gepropt, niet dat ze dan dus nog ergens op slaan. Naast die verdraaiing stikt het van de andere feiteljke onjuistheiden, vermoedelijk om het allemaal smeuïger, feller, gewelddadiger, vetter te maken. Niet zien, niets aan, grote nepshow.
Het gemberjong overvleugelt z’n ouder, tegenover het nieuwere gemberjong stak weer een andere telg de kop op. Aan de cayennepeper hangen pepertjes, hopelijk krijgen ze nog genoeg zon om rood te worden. Het is geen zomer meer, maar de laatste roos van het seizoen moet nog bloeien. Tussen al het groen zitten her en der knoppen. Het onbestemde plantje in de voortuin – ook de bezoekende bioloog kon het niet determineren, ik probeer het nu met Heukels’ schoolflora, maar die vraagt hoe de zaadvorming is en dat is (nog) niet zichtbaar – heeft inmiddels drie nieuwe bloempjes en nog een schijnt zich aan te dienen.
Je kunt er een boek over schrijven en laten we dat Ik was in de tuin noemen. Ik was namelijk in de stationsboekhandel en daar vielen me de vele boeken met een ‘Ik was …’-titel op. Allemaal boeken die niet trekken, maar best goed schijnen te verkopen. Er waren natuurlijk ook boeken met andere titels. Op een onopvallend plekje op een onopvallende plank stond een zogenaamde literaire thriller die rond de eeuwwisseling vdve in Wenen speelt. Zo op het oog een mooi boek dat een prominenter plekje verdiende. Het ligt nu pontificaal in het zicht op een van de uitstaltafels.









Recente reacties